Let’s Get Physical – the Glimmers presents Disko Drunkards

Thursday, July 29th, 2010 8:07pm

Genius.

Verzorgde woning te Zomergem

Sunday, June 27th, 2010 8:31pm

Verzorgde woning te Zomergem

Een heel aangename gemeente. Vaut le détour.

Barbera d’Asti Gratia Plena 2004 wijn

Saturday, May 29th, 2010 2:41pm

Barbera d'Asti Gratia Plena 2004 wijn

Van Chris en David gekregen van bij Cavatappi en zeer lekker. Wel niet licht qua alcohol: 15%!

Chronologie geschiedenis joodse gemeenschap Gent

Friday, April 30th, 2010 7:05pm

1125 De joden worden uit Gent verbannen door Karel de Goede, die ze mede verantwoordelijk acht voor de heersende hongersnood (althans volgens de Jewish Encyclopedia).
1279 Joden, die waarschijnlijk uit Frankrijk waren ingeweken, worden voor het eerst met naam in Gent vermeld: Jacob Moyses en zijn broer Isaac l’Usurier. Zij krijgen van de Graaf van Vlaanderen een verblijfsvergunning onder voorwaarden voor een termijn van zes jaar. Ze morgen zich vestigen in de Sint-Michielsparochie en handel drijven, evenwel zonder aan woeker te doen.
1280 Vermelding in de stadsrekeningen van ene Willem de Joede (Willem de Juede) en Soy de Joede, die pachter wordt van de Vismarkt.
1301-1302 Willem de Joede is voorschepen van Gent. In 1322 en de periode 1327-1330 is er in de rekeningen opnieuw sprake van Willem de Juede en in 1365 en 1367 staat hij genoteerd als schepen van gedele. Nog in de 14de eeuw in de stadsrekeningen terug te vinden: Jehan fil Sohiers (door de stad voor woeker beboet), Merin sJoden (gestraft voor vechten), Jan en Rombout de Juede, Pauwels de Juede (schepen van gedele) en Jacob de Juede. Wellicht hadden sommigen van hen zich laten kerstenen om zich te beschermen tegen mogelijke vervolgingen die hun beroep konden opleveren, om het Gents poortersrecht te verwerven of om een stadsambt te bekleden.
1335-1336 De stadsrekeningen vermelden dat ene broeder Jan “de camp vacht jegen den Juede”, waarvoor de staf hem een vergoeding van tien pond toekent.
1349 Een stadsmagistraat “dingde om de jueden” (= sprak recht).
1441-1501 Lombarden hebben het monopolie om pandhuizen open te houden in Gent.
1435-1440 Jan van Sicleer, misschien van joodse afkomst, maar bekeerd, verwerft rijkdom en invloed in de stad. Hij bekleedt verschillende malen een stadsambt: schepen van de Keure, stadsontvanger-boekhouder, deken der goudsmeden, overdeken en stadskiezer.
1445 Simon, de broer van Jan van Sicleer, wordt schepen van gedele
1469 Voornoemde of een andere Jan van Sycleer wordt vermeld als solliciteur van de abt van Sint-Baafs
1526 Karel V laat bij ordonnantie toe dat marranen uit Portugal door de Nederlanden mogen reizen of er zich vestigen. Dit privilege wordt herhaald en bevestigd in 1536. Het is niet bekend of marranen zich te Gent vestigen.
1549 Karel V vaardigt te Gent een plakkaat uit waarbij het voorrecht voor de marranen wordt afgeschaft. Alle nieuwe christenen die sinds zes jaar in den lande gevestigd zijn moeten met familie en bezit binnen de maand de Nederlanden verlaten “op peyne van confiscatie van lijfve ende goet”.
1550 Karel V scherpt het plakkaat van 1549 nog verder aan: alle nieuwe christenen, zelfs zij die niet in Portugal hadden geleefd, dienen de Nederlanden te verlaten.
1554 Lievin van Sycleer, heer van Gottem, wordt Gents schepen en in 1557 ontvanger-boekhouder.
1596 Er is sprake van een huis genaamd “Juedenburch” in de Donkersteeg. Er wordt ook melding gemaakt van “Juedenvierne” te Gent.
17de eeuw Resolutieboeken van de Staten van Vlaanderen vermelden ene Jacob de Jode, koopman-geldschieter te Gent. Ook vermeld: Adriaan de Jode, leverancier van geneesmiddelen.
1687 Vermelding van het bestaan van een jodenstraatje te Gent.
1696 Vermelding van een jodenstraatje in de Sint-Niklaasparochie.
1724 De raad van het stadsbestuur beslist op 23 september dat de joden voortaan als volgt de eed afleggen: blootsvoets moeten ze zweren op de Pentateuch (boeken van Mozes), waarvan ze voorzien moeten zijn, door de rechterhand “tot aende cneuckels” te plaatsen op he woord “Lo tissa” (Exodus XX, 7) en daarbij de volgende formule uit te spreken: In der saecken, daer in ick ghevraeght worde, wil ick de waerheyt seggen ; alsoo sweere ick dat mij helpe Godt, die hemel ende aerde, bergh ende dal, loof en gras geschapen heeft, daer het niet was; ende in ghevalle ick onrecht sweere, dat peck ende solfer op mij reghene.
1756 De Oostenrijkse gouverneur-generaal Karel van Lorreinen verwijt het Gentse stadsbestuur te gemakkelijk toe te laten dat joden de stad aandoen of er komen wonen. Voortaan dient elke jood jaarlijks een speciale taks van 1500 fl. te betalen. Wie deze belasting, die in de eerste plaats de arme jood treft, niet kan opbrengen, mag niet langer dan tweemaal vierentwintig uur in Gent verblijven. De Gentse en ook andere magistraten blijken echter niet gehaast het decreet van 20 november uit te voeren, zodat de gouverneur verplicht is zijn bevel te herhalen op 14 juni 1757. De oppositie tegen de maatregelen blijft echter aanduren en de ordonnantie wordt niet naar de letter toegepast.
1767-1793 Vermelding van een jodenstraatje of sacramentstraatje aan de Veldstraat.
1781 Tolerantie-edict van Jozef II dat bepaalde rechten aan de joden toekent: hun kinderen mogen naar school gaan, ze moeten geen bijzonder kenteken meer dragen zoals dat soms hier en daar vereist is, ze mogen land bebouwen, handel drijven of een ambacht uitoefenen.
1786 De joden moeten in het bezit zijn van een wettelijke geschreven akte van “poorterije en civiliteit” die jaarlijks moet vernieuwd worden. Enkele joden, gevestigd in Sint-Antoon aan de Oude Beestenmarkt, gebruiken in de buurt van het Spanjaardskasteel een Kamer voor synagoog.
1786 Met Jozef II krijgen de Gentse joden een rustplaats van ongeveer negen meter op zeven en een halve meter, palend aan het nieuwe kerkhof aan de Wasstraat. Een passant in Gent, Cosel Levy of Geschlinck zoon van R . Loew of Leib is de eerste jood die er begraven wordt. Eerst begraven op het nieuwe kerkhof, wordt hij echter op verzoek van zijn geloofsgenoten en na besluit van het stadscollege van 28 maart, ontgraven en overgebracht “t eynden van de afgezonderde plaetse gedestineert voor degene die niet en zijn van de roomse catholycke religie”. Dit in toepassing van art. 2 van de keizerlijke verordening van 26 april 1784 aangaande het begraven.
1798 Citoyen Moyses Aron, brillenslijper van beroep afkomstig uit Bingen (Duitsland), verzoekt het Gentse stadsbestuur de joodse rustplaats aan de Wasstraat te laten ommuren om het tegen profanatie te beschermen. Het stadsbestuur wimpelt het verzoek af: “la constitution ne reconnaît aucun culte dominant ni aucun privilège”.
1789 De Elzasser Samuel Jacob Meyer (afkomstig uit Westhoffen) installeert zich te Gent met zijn echtgenote Catherine Godchaud. Tussen 1799 en 1813 krijgen zij 5 kinderen, van wie Pauline (1812-1893) zal trouwen met de Gentenaar Jean Victor Rinskopf.
1796 De Gentse Dina Jacob, getrouwd met Picard Caudechaud, leider van een beruchte dievenbende, laat zich door de politie overhalen om de bende van haar man aan te klagen. Haar verklaringen laten de politie toe om een aantal bendes in kaart te brengen die de regio Keulen-Parijs in de periode 1795-1796 onveilig maken. Ze doet dit omdat ze het slechte leven van haar echtgenoot moe is en handelt, naar eigen zeggen, “par souci du bien public”. [s].
1797 De Elzasser Emmanuel Israël Chweiner vestigt zich te Gent na omzwervingen in Brussel, Luik en Duinkerken. Drie van zijn zes kinderen worden in Gent geboren.
1800 Naar aanleiding van aanhoudende pesterijen en beledigingen, voorziet het stadsbestuur op 29 mei maatregelen “de la manière la plus scrupuleuse” zullen uitgevoerd worden.
1802 Op 27 prairal an dix informeert het politiecommissariaat van de section de l’Egalité dat meerdere joden in Gent het bestaan bevestigen van een synagoge waar men zich enkel op vrijdag en zaterdag verzamelt (“hors de ces jours, on les trouve à peine chez eux”). Het adres is Joremaaie nr. 443. “Outre cela, la déclaration de soumission à la loi qu’ont faite plusieurs ministres du culte juif, peut encore prouver l’existence d’une synagogue.” In een andere brief gedateerd 6 messidor an dix meldt Aaron Moyses aan de citoyen maire dat hij samen met zijn geloofsgenoten een plek binnen zijn woning aan de Joremaaie nr. 440 heeft gekozen als synagoge.
1805 De brillenslijper Israël Lion (wellicht geboren in Marienthal, regio Hessen in Duitsland) – later Israël Rinskopf – installeert zich te Gent met zijn echtgenote en meerdere kinderen.

Moyses Aron beroept zich op een decreet van Napoleon om de teruggave te eisen van het Israëlitisch kerkhofje. Artikel 15 van dit decreet van 23 prairial an XII, stipuleert dat “dans les communes où l’on professe plusieurs cultes , chaque culte doit avoir un lieu d’inhumation particulière et dans le cas qu’il n’y aurait qu’un cimetière on le partagera par des murs , haies ou fossés“.

1806 We tellen we een zestiental geregistreerde joodse families in Gent.

Een document, gedateerd 26 augustus 1806, legt het reglement vast van de joodse gemeente in Gent. Het is getekend door o.m. S. Emanuel (parnas), Heman Jacob (gabay), Hartog Levi de Jong, David Hirsch en Lazare Pollack.

1807 Emanuel Chweiner schrijft aan burgemeester della Faille in naam van de joodse gemeenschap.
1808 Een keizerlijk decreet van 17 maart 1808 bepaalt dat vanaf 1 juli geen jood handel mag drijven of een winkel houden, tenzij hij een patent heeft aangevraagd bij de prefect van het Scheldedepartement. Op 17 augustus deelt prefect Faipoult de burgemeester van de stad Gent dit decreet mee. De joden kunnen het patent slechts verkrijgen na het voorleggen van een schriftelijk bewijsstuk van de gemeenteraad, waarbij verklaard werd dat ze geen woekeraars zijn of er onwettige activiteiten op na houden. Met een bewijs afgeleverd door het consistorie van hun synagoog, moeten ze tevens kunnen aantonen dat ze eerlijk en van goed gedrag zijn. Met dit patent wordt elke Gentse jood ook belastingsbetaler.

Op verzoek van de Gentse burgemeester zendt Aron Moyses het stadsbestuur een namenlijst van Gentse joden toe. Aan acht joden wordt op 5 oktober een patent verleend door de prefect.

De overzichtstabel (15/04/1808, 09/05/1808, 04/05/1808) van de joden woonachtig in de secties “Réunion”, “Liberté” en “Egalité” van de stad vermeldt de volgende namen:

  • Nathan Cohen, 55 jaar, colporteur
  • Cathérine Abraham, 47 jaar, zijn echtgenote
  • Abraham Levi, 65 jaar, marchand ambulant
  • Aaron Moyses, 36 jaar, marchand lunettier
  • Thérèse Hirsch, 26 jaar, zijn echtgenote
  • Simon Emanuel, 38 jaar, colporteur
  • Brandle Moyses, 30 jaar, zijn vrouw
  • Hartog Levi de Jong, 41 jaar, colporteur, “indigent, habite dans une cave”
  • Hester Isaac, 35 jaar, zijn vrouw
  • Isaac Lob, 31 jaar, marchand ambulant, gevangene in Doornik, zijn vrouw is afwezig uit de stad
  • Adelaïde Hirsch, 18 jaar, zijn vrouw
  • Samuel Jacob, 39 jaar, marchand ambulant
  • Cathérine Godiau, 27 jaar, zijn vrouw
  • Lion Israel, 44 jaar, colporteur, wonende aan de citadelle, “indigent, ne paye aucune contribution”
  • Esther Chatel, 28 jaar, zijn vrouw, dagarbeidster
  • Rosalie Israel, 8 jaar, zijn dochter
  • Chatel Israel, 9 jaar, zijn zoon
  • Sara Israel, 4 jaar, zijn dochter
  • Emanuel Schweiner, 53 jaar, colporteur, houder van een patent
  • Adrienne Philip, 40 jaar, zijn vrouw
  • Lazare Polak, 48 jaar, onderwijzer, “indigent, ne paye aucune contribution”
  • Rosalie David, 27 jaar, zijn vrouw, dagarbeidster
  • Jacob Isaac, 37 jaar, colporteur, Joremaaie, houder van een patent
  • Cathérine Israel, 34 jaar, zijn vrouw

Overeenkomstig het keizerlijk decreet van 20 juli uitgevaardigd te Bayonne, legt de stad Gent in oktober een namenregister van de Gentse joden aan. Overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, worden zij verplicht een nieuwe voornaam en familienaam te kiezen en aan te nemen, die in het nieuwe register worden geboekt. De lijst moet op bevel van prefect Faipoult de volgende elementen bevatten: naam, voornaam, leeftijd, beroep, het bedrag van hun bijdragen en of ze een religieuze functie uitoefenen (groot-rabbijn of rabbijn) dan wel leek zijn. Van oktober tot en met december trekken de Gentse joodse burgers naar het stadhuis voor de registratie van hun ‘nieuwe’ namen. Zij mogen hierbij geen naam uit het Oude Testament of de naam van een stad kiezen. Als voornaam worden slechts deze toegelaten die voorzien zijn in de wet van 11 germinal jaar XI.

Een aantal voorbeelden van dergelijke naamsveranderingen:

  • Samuel Jacob Meyer kiest voor de naamsverandering van Meyer in May
  • De familie Chweiner verandert haar naam in Souweine
  • Israël Lion, die koppig weigert om zijn naam te veranderen, krijgt van de Gentse burgemeester uiteindelijk een naam die overeenstemt met zijn aard: Rinskopf
  • Moyse Aron wordt Felix Morel
In het register, dat wordt voortgezet na de val van het Franse keizerrijk (nog in 1826 en 1827 worden nieuwe namen geboekt) vinden we voor het jaar 1808 16 namen van volswassenen en de namen van vele kinderen jonger dan tien jaar.

Samuel Jacob Meyer leidt de kleine joodse gemeente in Gent met Lazare Polak als rabbijn. De synagoog bevindt zich in het huis van May. Polak sterft echter datzelfde jaar en laat een zwangere vrouw met vijf kinderen in grote armoede achter.

1809 Em. Souweine verklaart schriftelijk aan het stadsbestuur dat de synagoge die eerst was ondergebracht bij Aron Moyses in de Waaistraat, zich nu in de Minnemanssteeg bevindt.
1810 Em. Souweine verklaart schriftelijk aan het stadsbestuur dat de synagoge werd ondergebracht bij Samuel May, Plotersgracht 236.
1812 Vermelding van een jodenstraatje aan de huidige Gouvernementstraat.
1813 Joodse burgers klagen over de toestand van hun kerkhofje bij d’Houdetot, departementsprefect. In een officieel schrijven van 6 september aan de Gentse burgemeester worden de klachten gegrond bevonden: er is geen katholieke sleuteldrager meer nodig om toegang te krijgen tot het begraafplaatsje en de joden moeten bij begrafenissen geen taks meer betalen aan de katholieke kerkfabrieken.
1814 Félix Rinskopf, inmiddels handelaar in zijden stoffen, overlijdt te Gent. Zijn zoon Napoléon Rinskopf maakt snel fortuin met zijn “fabrique de cirage”. Deze “empereur du cirage” kan hiermee zijn hele familie doen leven en opent eerst een filiaal in Brussel en vervolgens zelfs een in Parijs.
1815 De nieuwe grondwet van 23 april verleent aan iedereen individuele vrijheid, vrijheid van pers, petitie, recht van eigendom, en verschaft iedereen de mogelijkheid een openbaar ambt uit te oefenen.

Sommige joden als Israël Van Lier, Hartog Levi en David Van Weenen brengen het tot hoge welstand: Van Weenen en Levi zijn juweliers, Van Lier houdt een bloeiend handelshuis open. Een aantal Hollandse joden komen zich in de bloeiende industriestad Gent vestigen.

De Amsterdammer Hartog Levi Marchand installeert zich te Gent, gevolgd door zijn echtgenote Duyfje Cantor en hun zes zonen onder wie de oudste, Hartog Levi (°1807). In 1816 staat hij genoteerd als “débitant de billets de loterie”. Zijn broer doet hetzelfde in Antwerpen. Vervolgens bouwt hij, wellicht in samenwerking met zijn broer, een lucratieve handel uit in edelstenen. Hij zou evenwel niet lang in Gent gebleven zijn en overlijdt in 1821 in Amsterdam. Zijn kinderen zijn wellicht met hem naar Amsterdam teruggekeerd, maar enkelen komen blijkbaar later terug naar Gent, aangezien de oudste zoon, Hartog Levi in 1855 opgeschreven staat als wonende met zijn familie in de Vrouwenbroersstraat. Hij is er handelaar en diamantair.

1816 Er worden twee centrale synagogen voorzien in de zuidelijke Nederlanden, waarvan een te Brussel. De Gentse kerkgemeente hangt af van deze te Brussel en draagt een bijdrage van 50 fl. af. Als notabele van de Brusselse synagoog fungeert de Gentse jood Jacques Abas.
1818 De Gentse joodse gemeenschap wordt bestuurd door Max Lubliner (voorzitter), Arnold Cohn (secretaris-penningmeester), Benjamin Segall en J.-B. Elze. S. Joseph is rabbijn.
1817 Er zijn zo’n 106 joden gerecenseerd in Gent, van wie blijkbaar 76 zijn aangekomen sinds 1815.
1827 De Gentse joden krijgen van het stadsbestuur de toestemming om hun perceel dat dient als begraafplaats met aarde op te hogen. Daarvoor zal grond gebruikt worden uit het voormalig Spanjaardkasteel.
1829 De politiecommissaris van de Zuidwijk meldt op 25/01 dat er binnen zijn wijk slechts één jood woonachtig is: een zekere Moyse Spanier wonende aan de Huidevettershoek nr. 2.
1832 Op 24/05 vraagt de Gouverneur aan de stad hem een stand van zaken te geven over de joodse bevolking en uit te zoeken of er een synagoog is, een gratis school en andere weldadigheidsinstellingen, alsook wie de parnas of het hoofd van de synagoge is. De stad antwoordt dat er 101 joodse burgers zijn met David Van Praag als rabbijn. Er zijn geen gratis scholen, wel een synagoge.
1834 De gemeenschap telt 115 zielen (stad aan Gouverneur, 11/11/1834). Hun kosten voor religie bedragen 500 à 600 frank, maar de gemeenschap zou een subsidie moeten krijgen om achterstallige bedragen voor 1831, 1832 en 1833 ten belope van 1025 fr. te kunnen betalen voor de huur van een gebedsruimte en de bedienaar van de eredienst/”coupeur de viande”. Notaris De Clercq is schuldeiser van een groot stuk van deze bedragen voor de huur van het huis.

Op haar kerkhofje begint de joodse gemeenschap aan de bouw van een scheidingsmuur om de voorziene verhoogwerken te kunnen uitvoeren. Ondertussen groeit het verzet van de drie kerkfabrieken (Sint-Baafs, Sint-Jacobs en Sint-Salvator) die zich nooit met het plan akkoord hadden verklaard. Uiteindelijk komt er helemaal niets terecht van de geplande werken: de kerkfabrieken slopen een deel van de scheidingsmuur, maken een doorgang van het gewijde naar het joodse kerkhof en beginnen er dienstgebouwen op te trekken. De joden spannen onverwijld een proces tegen hen in dat ze winnen voor de vrederechter, maar verliezen voor de rechtbank van eerste aanleg. Daarmee is hun lot op het Dampoort-kerkhof bezegeld en rond 1840 komt er een definitief eind aan alle joodse bijzettingen aldaar. Noodgedwongen voeren ze hun doden nadien naar het Israëlitisch kerkhof van Sint-Gillis te Brussel, terwijl ze alles in het werk stellen om een nieuwe begraafplaats toegewezen te krijgen.

1835 De gemeenschap telt precies 119 zielen. De synagoge bevindt zich in de rue des Vergers nr. 25.

De toestand op het kerkhofje voor de Gentse joden wordt dusdanig acuut dat er “bij onverhoopt sterfgeval geen plaats ter begraving van betrokkene lijk zoude gevonden worden .”

Een K.B. nr. 263 van 18 maart verleent aan de Gentse rabbijn David Van Praag een tegemoetkoming van 200 fr. voor zijn optreden als aalmoezenier voor de gevangenen “de culte israélite” in de gevangenis van de stad Gent [s].

1837 Napoléon Rinskopf trouwt met Nathalie Florentine Souweine, kleindochter van Emmanuel Souweine
1840 De stad telt 29 joodse huishoudens waarvan 57 manen, 58 vrouwen, 68 +20-jarigen en 47 -20-jarigen. Op 23/07/1840 schrijft de stad aan de Gouverneur dat de rabbijn (David Van Praag) voldoende betoelaagd is om te overleven, aangezien hij ook inkomsten heeft voor het versnijden van vlees, het doden van gevogelte, het onderwijs van kinderen en buitengewone religieuze activiteiten. Het stadsbestuur geeft een stand van zaken aan de Gouverneur m.b.t. de inkomsten van de rabbijn:

  • Hij krijgt 650 à 660 fr. per jaar voor het versnijden van vlees (berekend op 2 ct. per kilo, 4 à 6 kilo per week maal 16 huishoudens)
  • Per week krijgt hij gratis 2 kilo vlees van de slager (= 119,80 fr.)
  • 42 fr. als salaris voor de eredienst in de synagoge
  • 35 fr. toelagen van de gemeenschap
  • 350 à 360 fr. voor onderwijs aan 14-16 kinderen (= 2 fr. per gezinshoofd en per maand)
  • 10 ct. per stuk voor het religieus versnijden van gevogelte
1841 De Gentse rabbijn krijgt bij K.B. van 31/10/1841 een toelage van 400 francs (ministerie van justitie, erediensten).
1846 Volgens de stad bestaat de joodse gemeenschap uit 120 personen, tegenover 400 protestanten.
1848 Op 27 mei verzoekt de joodse gemeenschap haar overleden leden te mogen begraven op een perceel van 380 m2 op het kerkhof buiten de Heuvelpoort (Ottergemse Dries, nog steeds in gebruik), hetgeen wordt toegestaan. De joodse graven raken echter veelvuldig door overstromingen geteisterd.
1849 Volgens de stad bestaat de gemeenschap uit 130 personen.
1855 Omwille van de overlast met het grondwater, wordt de joden voor hun begraafplaats een nieuwe en hoger gelegen plaats toegewezen met dezelfde afmetingen, rechts van de toegang. Alleen Gentse joden mogen er begraven worden, het terrein blijft eigendom van de stad en de joden moeten op eigen kosten een afsluitmuur bouwen. Uiteindelijk is het evenwel de stad zelf die (uit joodse onwil of onvermogen?) de kosten voor die muur op zich neemt.
1872 Een zekere Mosoel (Mossel?) is rabbijn te Gent, maar schrijft zich op 07/05/1872 uit bij de stadsadministratie met als bestemming Londen. Op 05/07/1872 wordt plaatsvervangend Philippe Goldstein benoemd, wonende in Drongenhof nr.3 (rue du Bac). Napoléon Rinskopf is op dat moment voorzitter van de gemeenschap.
1873 Léon (?) Goldstein wordt geïdentificeerd als rabbijn met als adres Drongenhof 3.
1874 Het Centraal Israëlitisch Consistorie schrijft aan de minister van justitie dat de toelage die de staat geeft voor de gemeenschappen in Antwerpen (500 fr.) en Gent en Luik (400 fr.) volstrekt ontoereikend zijn om zelfs in de eenvoudigste levensbehoeften te voorzien (09/10/1874).
1875 Op 19 mei meldt het Consistorie aan de stad dat Jacobs-Parera Goldstein voorlopig vervangt als ministre-officiant. Goldstein is immers als rabbijn aangesteld in Luik, ter vervanging van rabbijn Stern.
1876 Een Koninklijk Besluit van 27/01/1876 verhoogt de toelage voor de Antwerpse gemeenschap van 700 naar 800 fr. Luik en Gent krijgen voortaan 550 fr. in plaats van 400 fr.
1879 De Wegwijzer der Stad Gent meldt dat de synagoge zich bevindt in Drongenhof nr. 3 en dat Gerson Parera, wonende in de Hertogstraat nr. 23, rabbijn is.
1870-1880 Napoléon Rinskopf is schatbewaarder en voorzitter van de joodse gemeenschap. Zijn zoon Benoît Robert Rinskopf wordt ingenieur, industrieel en burgemeester van Gentbrugge. Zijn kleinzoon Léon Rinskopf (van zijn andere zoon Charles Rinskopf) wordt componist, leraar aan het conservatorium van Gent en dirigent in het Kursaal van Oostende.
1874 (?) Kort na de openstelling van de nieuwe gemeentelijke begraafplaats aan de Palinghuizen (Brugse poort), wordt ook aan het joods perceel van 1855 een eind gesteld. Sind 1874 kan de geloofsovertuiging immers niet langer ingeroepen worden voor het verkrijgen van een aparte begraafplaats.
1881 Max Lubliner is secretaris van de gemeenschap, die haar officieel adres aan de Burgstraat 34 heeft.

Op 14 mei geven de voorzitter en de secretaris van de gemeenschap een negatief advies over de vraag van David Gerson Parera om bedienaar te mogen zijn, aangezien hij ook nog het beroep van pedicure uitoefent.

Op 2 juni 1881 schrijft David Gerson Parera inderdaad dat hij het beroep van pedicure uitoefent (“profession laquelle est considérée comme une branche de l’art de guérir”) sinds zijn aankomst in België in 1843. Hij is assistent-Rabbijn zonder bezoldiging sinds 1855 en effectief rabbijn sinds 1875, “nommé à ces fonctions après examen et enquête”. Nooit hebben het Consistorie, noch de groot-Rabbijnen Astruc en Dreyfus geoordeeld dat zijn beroep incompatibel zou zijn met zijn religieuze functies.

De Gemeenteraad geeft een positief advies over het feit dat Gerson David Parera tegelijk het beroep van rabbijn wil uitoefenen als dat van “pédicure”. Het ministerie van justitie betoelaagt bedienaars van de erediensten die een tweede beroep willen uitoefenen enkel indien er expliciteit toestemming hiervoor wordt gegeven door de overheid. De Gemeenteraad is positief gezien de zeer bescheiden verloning voor de rabbijn: “il est matériellement impossible que le ministre-officiant pourvoie aux nécessités de la vie – surtout quand il a une famille – s’il en est réduit à son modeste traitement.”

1883 Op 07/04/1884 vraagt de Gentse burgemeester aan de Gouverneur een verhoging van de toelating voor de rabbijn en stelt dat de joodse gemeenschap op dat moment meer dan 300 leden telt. Inmiddels heeft Samuel Cohen zes kinderen en de toelage die hem wordt gegeven volstaat allerminst.
1884 Samuel Cohen is rabbijn nadat hij zich, komende van Breda, met zijn familie in Gent heeft geïnstalleerd aan de Tichelrei (Quai des Tuileries) nr. 33.
1885 Samuel Cohen vraagt middels een schrijven van de stad aan de minister van justitie om zijn jaarlijkse wedde van 1100 fr. te verhogen, in verhouding met de subsidies voor de protestantse en anglikaanse erediensten die resp. 3500 fr (voor een bevolking van minder dan 500) en 2400 fr (voor minder dan 100 zielen) krijgen. De grootte van zijn gemeenschap is volgens Cohen 300 zielen. “Dit overgroot verschil in het cijfer der jaarwedden is te veel in het oog springend om eenige verdere uitlegging noodzakelijk te maken.”
1888 Albert Weiss is tijdelijk rabbijn te Gent met de goedkeuring van het Centraal Israëlitisch Consistorie (16/07/1888).

De Gentse inwoonster Pauline Herman, overleden op 10 oktober 1888, laat in haar testament van 22 november 1886 bij notaris Michiels een (jaarlijks?) bedrag na van 11 s. aan de Gentse joodse Gemeenschap. De stad Gent neemt op 12 juli 1889 akte van de beslissing van de Gemeenschap om het testament te aanvaarden, nadat ze het eerst geweigerd had gezien het geringe bedrag van de nalatenschap en de te hoge successierechten.

Op 24 juni 1888 is het bestuur van de Gemeenschap als volgt: D. Jacops-Parera, voorzitter, Max Lubliner, secretaris, J. Van Dantzig, schatbewaarder en G. Duiverpart, bestuurslid. Lubliner en Parera laten de stad schriftelijk weten dat hun gemeenschap 173 leden telt. De stad laat weten aan het Consistorie dat Parera vervangen wordt door Samuel Marcus Cohen.

1889 Op 11 maart is de voorzitter van de Gemeenschap D. Jacobs-Parera, secretaris Max Lubliner en lid J. Van Dantzig. Op 5 juli wordt dit: Benjamin Segall, voorzitter, Emile Hirsch, secretaris-schatbewaarder, Arnold Cohn, administrateur en S. Joseph, “ministre officiant”.
1890 De joodse gemeenschap is samengesteld uit ongeveer honderdtwintig families. Op 03/02 laat Jacobs-Parera weten dat hij sinds 01/09/1889 geen voorzitter meer is van de gemeente. Max Lubliner neemt het interim waar, maar die heeft nu ook zijn ambt neergelegd. Jacobs-Parera vraagt de stad om zich te wenden tot het Centraal Consistorie.

Max Lubliner laat op 8 februari weten dat hij niet meer behoort tot de gemeenschap en dat Emile Weil hem opgevolgd is als administrateur. Op 1 maart informeert de stadsadministratie het college dat er een vacuüm is in het bestuur van de gemeenschap. Op 7 maart nemen Parera en Lubliner ontslag als voorzitter en secretaris. Het K.B. van 7 februari 1876 bepaalt immers dat de raad van bestuur dient te bestaan ui de bedienaar van de eredienst en vier verkozen leden, die partieel moeten vernieuwd worden. Het vacuüm is van korte duur, want de samenstelling van het bestuur van de gemeenschap is op 8 juni 1890 andermaal als volgt: Max Lubliner, voorzitter, Emile Weil, secretaris, G. Duivepart, bestuurslid. A. Weiss is “ministre officiant provisoire”. Op 9 september wordt Weiss evenwel door het Consistorie al voorlopig vervangen door Abraham Goedhart.

Op 16 juli laten Lubliner en Weil weten dat de synagoge verhuisd is van de Drongenhof nr. 7 (rue du Bac) naar de Tuinstraat nr. 50 (rue du Jardin).

1891 Max Lubliner en Emile Weill stellen Samuel Joseph uit Luik aan als rabbijn te Gent met 1.200 francs staatssubsidie en als taken: eredienst in de synagoge, onderwijs, slachten van vee en gevogelte (de “porshen”), beheer van de heilige boeken en de cultusobjecten. Hij mag de stad niet verlaten zonder toestemming en moet bij ontslag drie maanden vooropzeg geven.
1894 Het Bestuur van de joodse gemeenschap is samengesteld uit: Max Lubliner, voorzitter, Arnold Cohn, secretaris-schatbewaarder, G. Duivepart en Benjamin Segall (verkozen ter vervanging van E. Weill).
1897 Partiële vernieuwing van de Raad van Bestuur: G. Duivepart en Max Lubliner worden herkozen.

De Gentse joodse burger D. Jacobs Parera schenkt de Joodse gemeenschap Amsterdam een som van f 2 38 (fr. 5.) voor vier ouderlooze weezen (Nieuw Isr. Weekblad, vol. 33(1897), nr. 23, p. [3], 26/11/1897).

1898 Op 22/08 zijn Benjamin Segall en J.B. Elze respectievelijk voorzitter en secretaris/schatbewaarder van de gemeente ter vervanging van Max Lubliner (die de stad verlaat) en Arnold Cohn. Cohn en Duivepart blijven lid. Op 31/10 laat Segall aan de stad weten dat J.B. Elze ontslag neemt en vervangen wordt door Emile Hirsch.
1899 Benjamin Segall is voorzitter en Emile Hirsch secretaris. De Gouverneur laat aan de stad weten dat rabbijn Samuel Joseph een toelage krijgt van 1.400 francs.
1900 De Raad van Bestuur van de joodse gemeenschap bestaat uit Samuel Joseph, Benjamin Segall, Emile Hirsch, Arnold Cohn en Gustave Duivepart. Op 16/08/1900 schrijft David Gerson Parera de stad aan i.v.m. het budget en het beheer van de gemeenschap, met de bedoeling aan te tonen hoe slecht en hoe irregulier de synagoge wel werd bestuurd in de voorbije periode. Op 18/09/1900 vraagt de stad aan rabbijn Samuel Joseph of the correct is dat een deel van de synagoge wordt onderverhuurd en, zo ja, tegen welke huurprijs, sinds hoelang en sinds wanneer. Joseph antwoordt dat de onververhuur door hem gebeurt en niet door de gemeenschap. met een gedeelte van deze onderverhuur betaalt hij een deel van zijn persoonlijke huur. Het gedeelte dat onderverhuurd is, is een arbeiderswoning die sinds ongeveer drie jaar verhuurd is à 18 francs per maand, zonder enig contract. Daaroor was de woning verhuurd aan meerdere huurders die echter wanbetalers waren. Samuel Joseph sterft echter reeds op 03/11/1900.
1902 De Raad van Bestuur van de joodse gemeenschap bestaat uit Benjamin Segall (voorzitter), Hertog (tijdelijk secretaris) en Joseph Heymann (schatbewaarder) ter vervanging van Emile Hirsch die de stad verlaten heeft.
1912 De Poolse student Victor Alter (1890-1943) studeert aan de Universiteit Gent af als ingenieur en trouwt met een Vlaamse vrouw, “flinke” Melanie Lorein (1886-1977), die aan de Universiteit lichamelijke opvoeding had gestudeerd [s1, s2, s3]. Hij wordt een belangrijk leider van de joodse Bund in Polen en Rusland. Vermoedelijk in 1943 wordt hij met de toelating van Stalin geëxecuteerd. Voor hem en Henryk Erlich zijn in Warschau en in New York monumenten opgericht.
1913 van 1913 tot 1931 en wellicht nog later fungeert J. Hertog als rabbijn of Gents “ministre du culte”.
Interbellum Tot vóór 1940 studeren heel wat joden, afkomstig uit het huidige Roemenië, Polen, Tsjechië en Slovakije en elders aan de Gentse universiteit. De meesten van deze weinig bemiddelde studenten worden ingenieur en zwermen daarna de stad uit. Ze zijn er actief in het studenten- en culture leven. Joodse studenten zijn geduchte schakers in de schaakclub Het Rode Schaakbord.

Aan de Universiteit Gent tellen we volgens het onderzoek van Pascale Falek zo’n 90 joodse vrouwelijke studentes uit Oost-Europa (tgo. 555 in Brussel en 428 in Luik). Dat is vrij veel op een totaal van slechts 400 vrouwelijkse studentes in het algemeen. Nationale studentenverenigingen in Gent voor Roemenen en Polen waren rond 1927-1929 niet erg voor het opnemen van joodse studenten en zouden zelfs anti-semitisch gedrag vertoond hebben [s].

1940 Een aantal Gentse joden wijkt uit naar het onbezette Frankrijk en sommigen raken over zee. Tijdens de eerste maanden van de Duitse bezetting echter, besluiten heel wat gevluchte joden naar België terug te keren en weer aan het werk te gaan.

Vanaf oktober verschijnen echter de Duitse “Verordnungen” tegen de joden: is jood diegene die afstamt van drie grootvaders van joods ras. Wordt als jood beschouwd gelijk wie die afstamt van twee joodse grootouders die de joodse godsdienst beleden, of degene die gehuwd is met een jodin. In geval van twijfel wordt elkeen die tot de joodse eredienst is toegetreden als jood aanzien. Kort nadien worden de joden verplicht zich in hun woonplaats te laten registreren. Het speciaal register bevat behalve namen en voornamen ook de geboortedata, beroepen, nationaliteit en religie. Hun identiteitskaarten worden voorzien van het woord “jood”. Ongeveer 43.000 joden melden zich ter registratie aan.

Gaandeweg worden de bepalingen scherper: joodse dokters, tandartsen en verplegers mogen alleen nog joden verzorgen. Een jood kan geen journalist, geen advocaat of leraar worden. Joden zijn verplicht een affiche met daarop “joodse onderneming” uit te hangen. Alle publieke functies worden de joden ontzegd.

1941 Oprichting van de Vereniging der joden in België door de Duitse bezetter, die het alleenrecht heeft de joden in België te vertegenwoordigen. Voor Gent wordt rabbijn Michaël Lustig als plaatselijk voorzitter aangeduid. Zijn zoon David Lustig, wordt als kandidaat in de natuur- en geneeskundige wetenschap de toegang tot de Gentse Universiteit ontzegd. [s, Vande Casteele]

1942 In Juli 1942 worden de Belgische joden opgeroepen voor dwangarbeid in het Oosten. De joden mogen niet meer in Gent verblijven en worden samengetroept in Antwerpen, Brussel en Charleroi.

Het dragen van de gele ster wordt verplicht en het aantal razzia’s wordt opgedreven. Heel wat joden in Gent vinden een onderduikadres. Daar zijn ook ‘niet-Gentse’ joden bij zoals de befaamde Antwerpse componist en virtuoos Alex De Vries en zijn broer David De Vries, journalist en eveneens Antwerpenaar.

Begin september worden Gentse joden gedeporteerd naar de concentratiekampen.Van de naar schatting driehonderd joden die bij het uitbreken van de oorlog te Gent gevestigd waren, kunnen ongeveer honderdvijftig aan de holocaust ontsnappen.

1943 Op 1 juli wordt de Gentse rabbijn Michaël Lustig samen met zijn familie (zoon David en dochter Charlotte) gearresteerd en overgebracht naar Mechelen [s] [s, Vande Casteele].

1945 Op 17 mei informeert stadsambtenaar R. De Clippel aan P. Mast, bestuurder der rechtzaken, dat het huis gehuurd door rabbijn Lustig door de bezetter was in beslag genomen en sinds de bevrijding door de geallieerde legers was bezet met de bedoeling om uiteindelijk terug over te gaan naar de eigenaar. Het huis was echter ook synagoog, waardoor het “Comité” tot Verdediging der Joodsche belangen” in Gent de stad verzoekt een nieuwe gebedsplaats ter beschikking te stellen. De ambtenaar vraagt zich af of hij door burgerlijke opeising een geschikt lokaal ter beschikking mag stellen. Mast antwoordt op 22/05/1945 dat de gemeenten niet verplicht zijn een tempel ter beschikking te stellen, maar enkel een woonst of een huurvergoeding aan de rabbijn te verschaffen. Het opeisen van een huis is dus uitgesloten. Van een woonstvergoeding gelijk aan dewelke de pastoors ontvangen, kan wel sprake zijn.

1960 Op 1 april wordt Chaïm Rachfeld aangesteld als rabbijn te Gent, van oorsprong uit Brussel, met als officieel adres Savaanstraat 14.

1962 De Bestendige Deputatie beslist dat de bedienaar van de eredienst in Gent een woonstvergoeding van 24.000 fr. kan krijgen, naar analogie met de bedienaars van de protestantse, de Anglikaanse en de tweede-rangsparochies van de Rooms-Katholieke kerk (eerste-rangsparochies: 30.000 fr.). Chaïm Raffeld heeft daar pas sinds 1962 recht op aangezien daarvoor de wettelijke voorschriften nog niet nageleefd waren, nl. indienen van een begroting, het vaststellen van een borgtocht voor de schatbewaarder en de bewijzen van de huishuur.

1965 S. Kotek, voorzitter van de gemeenschap, informeert de stad dat Maisner is sinds 01/01/1965 bedienaar van de eredienst is met als adres Sint-Lievenslaan 51, tevens adres van de synagoge.

Joodse burgers in Gent voor WO II

Cohen, Samuel
Geb. te Breda in 1840. Laat zich, komende van Breda, op 01/05/1883 te Gent inschrijven met als adres Tichelrei nr. 33. Hij is getrouwd en heeft, voor zover wij weten, 4 kinderen. Politiecommissaris De Loo schrijft op 31/03/1885 dat de familie erg arm is: “Il se trouve dans le besoin ou pour mieux dans la misère. (…) A mon avis il est urgent de lui venir en aide en lui accordant une augmentation d’appointement.” En voegt er aan toe: “Depuis qu’il est à Gand sa conduite a été irréprochable.”

Cohn, Arnold
Zoon van Tzvi Hirsch Hermann Cohn (1831-1907) en Henrietta Jocheved Bleichrode.
Geb.: 12/11/1858 te Inowrocław (Pruisen, nu Polen)
Overl.: 1925
Getr.: 1891 met zijn nicht Jenny Bleichrode (05/10/1866-1934 te Berlijn)
Kinderen: Henriette Cohn (Gent, 1894-1934), Alfred Cohn (Gent, 1892-Brussel, 1969), Margarethe Cohn (Gent, 1892-holocaust)
Link

Duivepart, Gustave (Gabriël)
Geb.: 1839 te Rotterdam
Adres: Keizer Karelstraat 105

Elze, Joseph
Vermeld: 13/09/1900

Goldstein, Philippe (Léon?)
°1837
Wordt op 05/07/1872 plaatsvervangend rabbijn benoemd.
Adres: Drongenhof (rue du Bac) nr. 3.
Getrouwd met Julie Stern (° Eysden, 11/02/1845), 4 kinderen: Caroline, Henriette, Jacques en Ernestine (08/01/1873).

Herman, Pauline
Overl.: 10/10/1888 te Gent

Heymann, Joseph
Handelaar in de Langemunt (02/11/1902)

Hirsch, Emile
Geb.: 21/08/1877 te Wurselen (“né en Russie, à Gand depuis 1896″)

Jacobs-Parera, Gerson David
Geb. 05/08/1808 te Rotterdam, besneden 18/08/1808.
Getrouwd op 23/03/1843 met Dina Kivo Hartog. Dochter: Hester Gerson Parera, °05/05/1843.

Joseph, S.
Beroep: Ministre officiant (05/07/1889)

Lubliner, Max
1879: handelsvertegenwoordiger in de rue longue du marais (Lange-meer).
Varia: In de Monhtly Consular and Trade Report van 1893 (US Bureau of Manufactures, vol. 43, nos. 156-159) lezen we dat “Max Lubliner, importer of grain (143 rue des Baguettes), says that he is selling American wheat, corn, oats, rye, flaxseed, and oil cakes ; all imported via Antwerp. He expresses the opinion that the establishment of a direct line of steamships between Ghent and the United States would greatly facilitate and increase the trade. In this respect I must repeat that it is not safe for vessels drawing more than xxx feet to enter the Ghent-Terneuzen Canal.”

Lustig, Michaël
Geb. 1891, Polen.
Overl. vermoedelijk 1944, concentratiekampen.
Gehuwd in 1918 met Regina Gutwirth afkomstig uit Antwerpen.
Woonde vanaf 1936 eerst in de Hofstraat, vervolgens aan de Coupure nr. 19 (nu 91). [s - Vande Casteele]

Lustig, David
Zoon van Michaël Lustig.
Geb. 1922.
Overl. vermoedelijk 1944, concentratiekampen.

Lustig, Charlotte
Dochter van Michaël Lustig.
Geb. 1919.
Overl. vermoedelijk 1944, concentratiekampen.

Samuël, Joseph
Geb.: 05/11/1849 te Neustadt

Segall, Benjamin
Geb.: 1848 te Plousani
10/04/1903, stad aan gouverneur:

  • Beroep: “Courtier en lin”
  • Adres: Kortrijksesteenweg 101
  • “Hij doet goede zaken en schijnt voldoende kredietwaardig te zijn om, ter vervanging van Joseph Heymann als schatbewaarder op te treden van de joodse gemeenschap.”
  • Zoon en dochter

Van Dantzig, J.

Van Praag, David
Rabbijn te Gent (Stad aan Gouverneur, 21/06/1832)

Weil, Emile
Veldstraat 64

Weiss, Albert
Tijdelijk rabbijn te Gent met de goedkeuring van het Centraal Israëlitisch Consistorie (16/07/1888)

Aswolk vulkaan Ijsland

Monday, April 19th, 2010 8:17am

Aswolk vulkaan Ijsland

Zoals te zien boven Oost-Vlaanderen op de avond van 18/04/2010 (luchtballon).

Stadsarchief Gent – Joodse gemeenschap 1808

Friday, April 02nd, 2010 9:26am

SAG 1808

Nu nog de tijd vinden om verder te doen met mijn chronologie, i.p.v. blogposts te schrijven!

Stan en Tomatenpassata

Sunday, March 14th, 2010 3:50pm

Stan en Tomatenpassata

Toda raba Joëlle!

Barbera d’Asti Gratia Plena 2004

Sunday, March 14th, 2010 3:40pm

Barbera d'Asti Gratia Plena 2004

Machtig goed gebruik van Courier.

Test

Sunday, March 14th, 2010 3:37pm

Bezig geweest met mijn chronologie.

Soudogaz Camping Gaz

Wednesday, March 10th, 2010 10:16pm

Soudogaz Camping Gaz

Meringue suisse.